← Terug naar kennisbank

Het ICF-model uitgelegd: schema, domeinen en invullen

Gepubliceerd: 2024-07-14 · 8 min leestijd
!
In het kort

Het ICF-model (International Classification of Functioning, Disability and Health) is het kader van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om te beschrijven hoe iemand functioneert, los van de diagnose. Het verbindt vijf onderdelen: functies en anatomische eigenschappen, activiteiten, participatie, externe factoren en persoonlijke factoren, die elkaar allemaal beïnvloeden. Gebruikt als denkkader in plaats van als invullijst maakt het een complexe casus scherp en geeft het verschillende disciplines een gezamenlijke taal.

1

Wat het ICF eigenlijk doet

Het ICF beschrijft niet de aandoening, maar het functioneren van een persoon in zijn context. De WHO publiceerde het model in 2001; in Nederland wordt de Nederlandse vertaling gebruikt in de paramedische zorg, de revalidatie en de verpleging. De kern is dat één diagnose nooit voorspelt wat iemand kan en doet: functioneren ontstaat in de wisselwerking tussen de gezondheid van een persoon, zijn omgeving en wie hij is.

Schema van het ICF-model Bovenaan de aandoening of ziekte. Daaronder drie onderdelen naast elkaar: functies en anatomische eigenschappen, activiteiten en participatie. Onderaan de externe factoren en de persoonlijke factoren. Alle onderdelen zijn met pijlen in twee richtingen met elkaar verbonden. Aandoening of ziekte Functies en anatomische eigenschappen Activiteiten Participatie Externe factoren Persoonlijke factoren
Het ICF-schema: alle onderdelen beïnvloeden elkaar in twee richtingen (naar WHO, 2001).
2

De onderdelen van het ICF-model

OnderdeelWat je beschrijftVoorbeeld
Functies en anatomische eigenschappenHoe het lichaam en de geest werken (functies) en hoe het lichaam gebouwd is (anatomie).Verminderde knijpkracht rechts, beperkte aandacht, pijn in de schouder.
ActiviteitenWat iemand doet of kan doen: concrete taken en handelingen.Aankleden, een maaltijd bereiden, traplopen, schrijven.
ParticipatieDeelname aan het dagelijks leven en de rollen die iemand vervult.Werken, voor de kinderen zorgen, vrijwilligerswerk, naar de sportclub.
Externe factorenDe fysieke en sociale omgeving en de houding van anderen. Kunnen helpen of belemmeren.Woning met trap, mantelzorger, hulpmiddelen, werkgever die meedenkt.
Persoonlijke factorenKenmerken van de persoon die geen deel zijn van de aandoening.Leeftijd, opleiding, beroep, copingstijl, levensgeschiedenis.

Functies, activiteiten en participatie samen vormen het functioneren. Problemen daarin heten stoornissen (in functies of anatomie), beperkingen (in activiteiten) en participatieproblemen. Externe en persoonlijke factoren samen heten de contextuele factoren.

Het basisprincipe: twee mensen met dezelfde diagnose kunnen volstrekt verschillend functioneren. Het ICF dwingt je dat verschil te beschrijven en te begrijpen.

3

Het ICF-model invullen: een voorbeeld

Mevrouw De Vries (68) heeft artrose in beide handen. Zo ziet een korte ICF-schets eruit:

De schets laat zien waar de behandeling op aangrijpt. Niet de artrose zelf, maar de verbinding tussen activiteit (snijden, openen) en participatie (koken voor de kleinkinderen): met gewrichtsbeschermende technieken, ander keukengerei en een aangepaste werkwijze kan de woensdag terugkomen. De persoonlijke factor "wil niet om hulp vragen" verklaart waarom een advies als "laat je partner het doen" niet werkt.

4

Wanneer het wel en niet meerwaarde heeft

5

De vergeten kant: persoonlijke factoren

Externe factoren (woning, hulpmiddelen, sociaal netwerk) krijgen meestal aandacht. Persoonlijke factoren, zoals leeftijd, copingstijl, levensgeschiedenis, opleiding en beroep, worden vaak overgeslagen, terwijl ze het beloop sterk beïnvloeden. Een 45-jarige bouwvakker met rugklachten en een 75-jarige musicus met dezelfde scan vragen totaal andere behandelplannen. De WHO heeft de persoonlijke factoren bewust niet in codes uitgewerkt, juist omdat ze zo persoonsgebonden zijn; beschrijf ze daarom in gewone woorden.

Het ICF beschrijft niet wie iemand is. Het beschrijft wat er tussen iemand en de wereld gebeurt.
6

Een werkbare aanpak

Niet ieder vakje hoeft ingevuld bij elke cliënt. Gebruik het ICF als checklist tegen blinde vlekken: heb ik de omgeving meegenomen? De persoonlijke factoren? De participatie naast de activiteiten? Een korte ICF-schets in een rapportage zegt meer dan twee pagina's losse observaties, mits gericht en relevant ingezet.

Wie het ICF-model in het gesprek zelf wil gebruiken in plaats van als invulformulier, vindt in het Kawa-riviermodel voor ergotherapeuten een praktische tegenhanger: de cliënt tekent zijn eigen situatie en het gesprek volgt vanzelf. Korte e-learning, direct toepasbaar.

?

Veelgestelde vragen

Wat is het ICF-model?

Het ICF-model (International Classification of Functioning, Disability and Health) is het kader van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 2001 om het functioneren van een persoon te beschrijven. Het kijkt niet alleen naar de aandoening, maar naar functies en anatomische eigenschappen, activiteiten en participatie, in wisselwerking met externe en persoonlijke factoren.

Uit welke onderdelen bestaat het ICF-schema?

Het schema heeft bovenaan de aandoening of ziekte. Daaronder staan de drie onderdelen van het functioneren: functies en anatomische eigenschappen, activiteiten en participatie. Onderaan staan de contextuele factoren: externe factoren (omgeving) en persoonlijke factoren. Alle onderdelen beïnvloeden elkaar in twee richtingen.

Wat is het verschil tussen activiteiten en participatie in het ICF?

Activiteiten zijn concrete taken en handelingen die iemand uitvoert, zoals aankleden of een maaltijd bereiden. Participatie is de deelname aan het dagelijks leven en de rollen die iemand vervult, zoals werken, zorgen voor kinderen of meedoen aan een vereniging. Een beperking in een activiteit leidt niet automatisch tot een participatieprobleem, en andersom.

Hoe vul je het ICF-model in?

Begin bij de hulpvraag en beschrijf per onderdeel kort wat relevant is: welke functies verstoord zijn, welke activiteiten niet lukken, aan welke rollen iemand niet meer deelneemt, welke omgevingsfactoren helpen of belemmeren en welke persoonlijke factoren meespelen. Je hoeft niet elk vakje te vullen; het doel is zicht krijgen op de verbanden, zodat duidelijk wordt waar de behandeling op aangrijpt.

Wat zijn persoonlijke factoren in het ICF?

Persoonlijke factoren zijn kenmerken van de persoon die geen deel zijn van de aandoening, zoals leeftijd, geslacht, opleiding, beroep, copingstijl en levensgeschiedenis. De WHO heeft ze niet in codes uitgewerkt, omdat ze zo persoonsgebonden zijn. Ze worden vaak overgeslagen, terwijl ze sterk bepalen welke behandeling past.