← Terug naar kennisbank

Klinisch redeneren: van protocol naar afweging

Gepubliceerd: 2025-02-28 · 7 min leestijd
!
In het kort

Wat de junior van de senior onderscheidt is zelden de techniek of de protocolkennis. Het is de manier van denken: wanneer wijk je af van het protocol, en op welke gronden? Klinisch redeneren is een vaardigheid die expliciet getraind kan worden.

Een protocol weet wat te doen bij gemiddelde cliënten. Klinisch redeneren weet wat te doen bij déze cliënt.
1

Twee denksystemen

In de literatuur worden twee modi onderscheiden. Snel, patroonherkennend ("dit is mij eerder voorgekomen") en langzaam, analytisch ("laat ik dit stap voor stap nagaan"). Beide zijn nodig. De ervaren therapeut herkent patronen sneller maar weet ook wanneer hij moet schakelen naar analyse — bijvoorbeeld wanneer een casus niet past in een bekend patroon.

2

Klassieke valkuilen

3

Hoe je het traint

Hardop denken

Bij een collega of in supervisie verbaliseren waarom je doet wat je doet. Je hoort dan zelf waar het rammelt.

Tweede hypothese verplichten

Bij elke werkhypothese: bedenk minimaal één alternatief en wat dat zou betekenen.

Casus terugkijken

Niet alleen waar het goed ging, vooral waar het anders liep dan verwacht. Daar zit het leren.

Intervisie

Met collega's casuïstiek bespreken — geen onderwijs, maar denken samen aanscherpen.

Praktijkpunt: wanneer een cliënt niet vooruitgaat zoals verwacht, is dat informatie. Niet over de cliënt — over jouw redenering. Heroverweeg de hypothese.

4

Niet protocol versus klinisch redeneren

Protocollen zijn geen tegenstander van klinisch redeneren — ze zijn de basis ervan. Wie niet weet wat het protocol zegt, redeneert niet, die improviseert. Wie het protocol kent én weet wanneer en waarom hij ervan afwijkt, beoefent het vak op niveau. Daar gaat de groei vanaf het derde, vierde jaar in de praktijk vooral over.